uit het vonnis tegen de hofstad-groep

Als nadere uitleg bij mijn eerdere posting over meneer Wilders.

(Bron)

67. Aan Jason W. en Ismail A. wordt onder feit 3B verweten – kort samengevat – dat zij in de periode van 6 november 2004 tot en met 24 januari 2005 te Den Haag, al dan niet tezamen en in vereniging, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders hebben bedreigd met moord dan wel doodslag, al dan niet met een terroristisch oogmerk.

68. De genoemde bedreiging zou er uit hebben bestaan dat deze verdachten op 6 en op 8 november 2004 in de woning aan de Antheunisstraat voor Hirsi Ali en Wilders bedreigende teksten hebben uitgesproken.

69. Voor de beoordeling van dit feit is van belang dat volgens vaste rechtspraak een bedreiging eerst is voltooid indien het slachtoffer direct of indirect kennis heeft genomen van de geuite bedreiging. Voorts is nog van belang dat bewezen moet worden dat sprake is van opzet om te bedreigen, welke opzet gelet op het voorgaande er tevens op moet zijn gericht dat het slachtoffer kennis neemt van de bedreiging. Daarbij kan volstaan worden met voorwaardelijk opzet, dat wil zeggen dat de bedreiger willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer van de bedreiging zal kennisnemen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval in het openbaar een bedreigende opmerking wordt gemaakt.

70. Uit de OVC-opnamen in het dossier blijkt dat Jason W. en/of Ismail A. op de genoemde data in de woning aan de Antheunisstraat de in de tenlastelegging vermelde teksten hebben uitgesproken. Veelal gaat het daarbij kennelijk om het (aan elkaar) voorlezen van documenten en brieven.

71. De rechtbank merkt allereerst op dat de inhoud van deze teksten voor Hirsi Ali en Wilders bedreigend was. Dat zij geschrokken zijn toen zij op enig moment van de inhoud van deze teksten vernamen, is dan ook alleszins begrijpelijk. Uit het dossier blijkt echter niet dat Jason W. en/of Ismail A. wisten of zelfs maar het vermoeden hadden dat de woning aan de Antheunisstraat werd afgeluisterd toen zij deze teksten uitspraken, waardoor Hirsi Ali en Wilders later van deze bedreigende taal zouden kunnen kennisnemen. Daarom kan niet worden aangenomen dat zij willens en wetens een aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat deze in huiselijke kring uitgesproken woorden uiteindelijk Hirsi Ali en Wilders zouden bereiken. De onder feit 3B tenlastegelegde bedreiging van genoemde kamerleden door het uitspreken van de betreffende teksten kan om deze reden niet worden bewezen.

72. Onder feit 3A wordt verdachten Jason W. en Ismail A. verweten – kort samengevat – dat zij in de periode van 6 november 2004 tot en met 10 november 2004 te Den Haag al dan niet tezamen en in vereniging en al dan niet met een terroristisch oogmerk de parlementariërs Hirsi Ali en Wilders door bedreiging hebben verhinderd een vergadering van de Staten-Generaal bij te wonen en/of hun plicht daar vrij en onbelemmerd te vervullen, zoals strafbaar is gesteld in artikel 121 Sr, dan wel (subsidiair) dat zij dat hebben gepoogd, dan wel (meer subsidiair) dat zij dit misdrijf hebben voorbereid of bevorderd.

73. Verdachten zouden dit volgens de tenlastelegging hebben gedaan door op 6 en op 8 november 2004 in de woning aan de Antheunisstraat de hiervoor reeds genoemde bedreigende teksten uit te spreken, en/of door toen en daar die bedreigende teksten in de vorm van geschriften en/of (digitale) documenten te hebben geschreven, opgesteld, bewerkt, verspreid en/of al dan niet ter verspreiding voorhanden te hebben gehad, terwijl zij wisten dat die teksten bestemd waren om te dienen tot het plegen van dat misdrijf, te weten het belemmeren van een parlementariër als bedoeld in artikel 121 Sr.

74. Met betrekking tot het uitspreken van genoemde teksten in de woning is hiervoor al overwogen dat deze teksten weliswaar bedreigend zijn voor Hirsi Ali en Wilders, maar dat er geen bewijs is voor de opzet van verdachten, al dan niet in voorwaardelijke vorm, dat zij door het uitspreken van deze bedreigende teksten in de woning de genoemde parlementariërs direct of indirect zouden bereiken. Zonder deze opzet kan niet worden bewezen dat verdachten met het uitspreken van die teksten in de woning Hirsi Ali en Wilders hebben bedreigd en evenmin dat zij hebben gepoogd dat te doen. Derhalve kan ook niet worden bewezen dat verdachten deze parlementariërs door bedreiging in de uitoefening van hun functie hebben belemmerd als bedoeld in artikel 121 Sr, dan wel dat zij dit door het uitspreken van die teksten hebben gepoogd.

75. Ten aanzien van het schrijven, voorhanden hebben etcetera van de teksten, geldt het volgende. Zoals gezegd bevatten deze teksten bedreigende taal. In elk geval ten aanzien van de teksten die het opschrift “open brief” dragen, kan worden geoordeeld dat deze kennelijk bestemd waren om openbaar te worden gemaakt en dat zij dus, in combinatie met de voor Hirsi Ali en Wilders bedreigende inhoud, kennelijk bestemd waren om de genoemde parlementariërs te bedreigen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat deze teksten ook kennelijk bestemd waren om die parlementariërs opzettelijk te verhinderen een vergadering van de Staten-Generaal bij te wonen of hun plicht daar vrij en onbelemmerd te vervullen, zoals strafbaar is gesteld in artikel 121 Sr. Het zou te ver voeren en in strijd zijn met de kennelijke bedoeling van de wetgever om elke bedreiging van een parlementariër – hoe strafwaardig op zichzelf ook – aan te merken als kennelijk bestemd om het misdrijf van artikel 121 Sr te plegen, een misdrijf dat met levenslange gevangenisstraf is bedreigd. Daarvoor is aanvullend bewijs nodig, dat in deze zaak ontbreekt. Derhalve kan niet worden bewezen dat – zoals in de tenlastelegging is omschreven – verdachten wisten dat deze geschriften of documenten kennelijk bestemd waren tot het plegen van het in artikel 121 Sr bedoelde misdrijf. Het voorhanden hebben van die geschriften levert dan niet op het voorbereiden of bevorderen van vorenbedoeld misdrijf, zoals meer subsidiair is tenlastegelegd.

76. Er is evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachten het opzet hadden – al dan niet in voorwaardelijke zin – tot het plegen van het misdrijf van artikel 121 Sr met gebruikmaking van vorenbedoelde teksten. Zoals hiervoor is overwogen kan dat niet uit die teksten worden afgeleid en ook voor het overige bestaat daarvoor geen bewijs. Zonder dit opzet kan het plegen van het misdrijf van artikel 121 Sr, niet bewezen worden en dat geldt ook voor de poging daartoe.

77. De conclusie luidt dat verdachten van het onder feit 3A tenlastegelegde geheel zullen worden vrijgesproken.

78. Vanwege de vrijspraak voor alle onder 3A en 3B tenlastegelegde feiten wordt niet meer toegekomen aan de vraag of sprake was van een terroristisch oogmerk.

Related Posts

Comments are closed.